Embouchure

Wat is embouchure?

Embouchure is de manier waarop je de spieren bij de mond en keel gebruikt om de lucht op een efficiënte en ontspannen manier in het instrument te krijgen en hoe de holtes in de mond en keel gebruikt worden om een goed en gecentreerd geluid te krijgen.


Waarom is je embouchure belangrijk?

  • Er zijn veel verschillende stijlen met ook een verschillend embouchure.
  • Belangrijk om een goede toon te kunnen produceren.
  • Om zuiver te kunnen spelen.

Ontwikkelen van het embouchure
Het is belangrijk dat je iedere dag minimaal een half uur oefent. Dit is beter dan 1 keer per week een hele dag.

 

De onderlip
De onderlip komt op de plek waar het riet het mondstuk verlaat. Dit kan je controleren door een stukje papier tussen het riet en het mondstuk te schuiven. Zodra je iets tegendruk voelt
is dit de juiste plek. (ong. 1 cm)
De onderlip werkt als een kussen tussen het riet en de tanden. Bij teveel spanning gaan de tanden snijden in de onderlip. De onderlip moet een rechte lijn zijn waar je het riet vervolgens oplegt. (niet erin want dan kan het riet niet trillen).
Als de lip inactief is ontstaat er een slechte bloed doorstroming, met als gevolg pijn. Bij zo weinig mogelijk onderlip krijg je de beste trilling van het riet.

Stand van de boven- en ondertanden
Wanneer je de boventanden op het mondstuk zet zakt de kaak omlaag. Ook houdt je het embouchure los. De boventanden staan ongeveer 1 cm op het mondstuk. (weer te controleren met het
papiertje) De onderlip komt op gelijke hoogte.
Dit gebeurd niet altijd omdat de bovenkant van het mondstuk een hellend vlak is en de achterkant een recht vlak.
De boventanden zijn het fixatiepunt van het embouchure. Als je voorzichtig aan de hals van de saxofoon trekt moeten de boventanden het mondstuk tegen/vasthouden.
Als het mondstuk te ver in de mond zit is het geluid open en schel. Als het mondstuk niet ver genoeg in de mond zit is het geluid stoffig en gesloten, het riet vibreert dan niet vrij.

Mondhoeken
Het is belangrijk dat je de mondhoeken naar voren brengt. Alsof je een kaars uitblaast of fluit.
Oefeningen:

  • fluiten
  • Je lippen op die manier vormen zoals je iemand een zoen geeft.
  • tuttig kopje thee drinken
  • „ohwee‟ zeggen. Voer de beweging langzaam uit en let daarbij op de mondhoeken. Deze moeten goed naar voren en naar achteren getrokken worden.

De kin
Belangrijk is bij het embouchure dat de kin naar beneden getrokken wordt. Er moet een bepaalde spanning/ activiteit zijn. De huid van de kin moet strak zijn. Op deze manier zijn de lippen actief en voel je meer.

Het gebit
Het gebit is voor blazers onontbeerlijk. Het mondstuk steunt door de spierlaag heen op de tanden, of bij grote instrumenten meer op de kaken. De plaatsen waar zich de meeste druk onder het mondstuk bevindt, noem je de „ankerpunten‟ of anchor points.
De mondkringspier, die zich rond de mondspleet bevindt, maar ook andere spieren die nauw bij het spelen betrokken zijn, zoals de kauwspieren, de mondhoekomhoogtrekkers en mondhoekomlaagtrekkers én de mondhoekopzijtrekkers, zoeken steun op het gebit. In totaal zijn het er zeker zo'n twintig. De spieren zetten zich door samen te trekken als het ware af op het gebit. De spieren aan de binnenkant zetten zich natuurlijk niet tegen het gebit af.
Hoe ronder en ruimer de gebitsboog is, hoe meer kracht de spieren kunnen geven. Elke tand of kies oefent een zekere druk uit op de spieren, als die tenminste aangespannen zijn. De
Embouchure van rond de mond wordt hierdoor sterker. Naarmate de kaken bij het ouder worden slinken, zal mede daardoor de kracht afnemen. Zowel bot als spieren atrofiëren (kwijnen weg). Kunstgebitten en plaatjes zijn minder goede hulpmiddelen, maar implantaten zijn echt fantastisch als vervanging. Je bent er in het begin even zoet mee, maar daarna pluk je er dubbel de vruchten van.Bij ontstekingen in het lichaam kan het plaatsen of dragen van implantaten gevaarlijk zijn. Kinderen die met een onregelmatig gebit beginnen met blazen, kunnen dit met een beugel van de orthodontist corrigeren.

Kaken
De ontspanning ontstaat in de kaken. Dit komt doordat de kin naar beneden en de mondhoeken naar voren/ naar binnen staan. Automatisch trekt de kaak dat iets open.
Wat te doen als je met bolle wangen blaast?

  • Blaas een kaars uit.
  • Blaas alleen op de hals.
  • Blaas lucht in het instrument zonder geluid te maken.
  • Probeer te fluiten.
  • De lucht door een kleiner gaatje naar buiten laten stromen.

Zuiverheid
Met je embouchure kan je de precieze hoogte van de toon bepalen. Het kost tijd om dit te leren. Een saxofoon is van zichzelf nooit helemaal zuiver. Je moet de tonen dus bijsturen.
Hoe hoog een toon is heeft ondermeer te maken met waar het toongat in de buis zit. Omdat alle toongaten met elkaar te maken hebben, is het erg moeilijk om elk gat precies op de juiste
plek te maken.
Het saxofoonmondje in het kort nog eens omschreven;

  • boventanden op ong, 1 cm op het mondstuk zetten.
  • De onderlip komt op gelijke hoogte tegen het riet.
  • De onderlip iets naar binnen zodat het riet nog op het roze gedeelte van de lip zit.
  • De mondhoeken naar voren brengen (alsof je fluit)
  • De kin recht trekken (dit gaat vanzelf wanneer je de lippen tuit).

De mondholte
De mondholte is te vergelijken met een deel van een opgepompte binnenband van een fiets of met een langwerpige ballon. In alledrie kun je lucht pompen en omdat er sprake is van een zekere elasticiteit, werken ze alledrie als een buffer. Als je onderin de langwerpige ballon knijpt, ontstaat in het overige deel een verdikking. Als je de lucht laat ontsnappen uit de uiteengetrokken opening van een langwerpige ballon, ontstaat er een spleettoon.
De voorkant van de mondholte wordt afgesloten door het gebit en de lippen.De bovenkant wordt afgesloten door het harde verhemelte vóór en het zachte verhemelte met haar spieren achter in de mondholte. De onderkant wordt afgesloten door de tong, die aan de mondbodem en het tongbeen vastzit. Deze mondbodem bestaat ook uit spieren.
De tongrug en tongpunt bewegen vanaf hun basis op de mondbodem en het tongbeen. De tong beweegt dus vrij naar voren, boven en achteren toe. Achter in de mond (keelholte) bevinden zich verschillende spiergroepen, die naar gelang hun functie de holte kunnen vernauwen of juist vergroten.

Toonkwaliteit en vibrato
De saxofoon staat je toe een heel eigen geluid te ontwikkelen, dat anders is dan van andere saxofonisten. Dit maakt de saxofoon tot een extreem artistiek instrument. Ook kan je in je
eigen geluid een heel scala van verschillende kleuren gebruiken die je in staat stellen veel stijlen te spelen. Van barok tot hedendaagse muziek, van jazz tot pop...
Over de het geluid van de saxofoon bestaan dan ook verschillende opvattingen. Ondanks het jonge bestaan van de saxofoon zijn er toch verschillende scholen te onderscheiden. De Franse
school geeft de voorkeur aan een helder geluid met een vrij snel vibrato, de Raschèr school daarentegen speelt met veel donkerder geluid en een langzamer vibrato. Het is belangrijk dat
je je bewust wordt van de keuzes die je zelf maakt over je eigen geluid. Natuurlijk maak je die keuzes in eerste instantie intuïtief, maar door te weten hoe andere saxofonisten spelen, kan je beslissen wat je bevalt.
De toonkwaliteit wordt bepaald door het embouchure en de fysiek van de speler. De trillingen die de saxofoon produceert resoneren op een eigen manier in elk lichaam. Dit bepaalt het basisgeluid. Verder is het „randje‟ van het geluid te beïnvloeden door gebruik te maken van de holtes in de mond en keel.
Experimenteer met lange noten en met langzame muzikale frases om de toonkwaliteit te ontwikkelen. Luister goed naar het geluid en leer om te verbeteren en veranderen, als dat
nodig is, door de onderlip meer naar buiten of naar binnen te plaatsen, de boventanden meer naar voren of achteren te plaatsen en/of de opening van de keel te variëren.
Het is erg belangrijk om tijdens het werken aan de toonkwaliteit ook aan de stemming te werken. Je mag geen tonen onthouden die wel goed klinken, maar te hoog of te laag zijn.
Daarom moet je de toon voorstellen voordat die klinkt.

Vibrato
Vibrato op een saxofoon maak je door een noot te variëren in toonhoogte op zo‟n manier dat de oorspronkelijk toonhoogte herkenbaar blijft. Grafisch weergegeven gebeurt dat bij
voorkeur volgens een sinusgolf. De snelheid en de amplitude worden bepaald door de afstand tussen het riet en het mondstuk te vergroten (toon wordt lager), en te verkleinen (toon wordt
hoger).
Marcel Mule, een belangrijke saxofoonpionier, zegt over het vibrato:
"Het vibrato, indien goed gebruikt, voegt een verfijnde dimensie aan de sonoriteit van de saxofoon toe, die voor een glorieuze expressieve toon zorgt [...] Het (vibrato) is natuurlijk,
we worden omgeven door golven. Het vibrato van de saxofoon zorgt voor dat essentiële element van expressie dat nodig is voor de succesvolle interpretatie van muziek."
(Marcel Mule, His Life and the Saxophone, Eugene Rousseau, 1982, vertaling Ties H. Mellema)

Vibrato is een golvende beweging van de toon. Het ontstaat als je de kaak licht op en neer beweegt. Hierdoor is een duidelijke regelmatige golfbeweging in de toon te horen. Oefen in het begin met langzame kaakbewegingen om later langzaam het tempo te verhogen.
Hoewel de snelheid en amplitude worden bepaald door de persoonlijke smaak en voorkeur van de speler is het toch verstandig het vibrato „droog‟ te oefenen. Zet een metronoom op een
laag tempo, een speel één vibratogolf per slag. Verhoog het tempo door twee golven per slag te maken, dan drie, et cetera. Doe de oefening in alle registers en liefst op alle noten.
Ook verandert de mondholte bij deze beweging, vibrato wordt namelijk gemaakt door de onderkaak naar boven en beneden te bewegen.